Menu Tickets

Fairy Nights

28 augustus 2021, Kasteel De Haar
12 mei 2021

De Comeback van de Gnoom

Fairy Nights Nieuws

In de jaren negentig begonnen wij met een kleine winkel genaamd Elf Fantasy Shop in een 16e eeuws pand in de binnenstad van Delft. Het eerste artikel dat we hadden ingekocht waren halve meter hoge tuinkabouters. Er waren nog erg weinig beeldjes te krijgen die karakters uit mythen, sagen en fantasy verhalen uitbeeldden. De echte hausse aan drakenbeeldjes, elfenfiguren en andere fantasy vormen kwamen pas in dat decennium op gang. Tuinkabouters hadden wat dat betreft hun roemruchte sporen als versteende natuurwezentjes al lang verdiend. Maar waar hadden ze hun populariteit aan te danken en wanneer was hun carriere begonnen?

 

Griebel

De Duitse beeldhouwer Philip Griebel staat bekend als de eerste die de tuinkabouter vorm gaf zoals we hem nu kennen: met een rode muts, een witte baard en vaak gewapend met een pikhouweel of een schop. Hij maakte de eerste tuinkabouter in 1880, van klei. Zijn tuinbeelden werden al snel populair in heel Duitsland en Polen. Het familiebedrijf is tot op de dag van vandaag nog steeds de meest succesvolle producent van tuinkabouters.

gnome gathering

Van statussymbool tot kitch

Tegenwoordig zijn de meeste tuinkabouters gemaakt van plastic maar niet allemaal. Ik herinner mij dat ik eind jaren negentig naar Polen reed. Net over de Duitse grens werden langs de snelweg anderhalve meter hoge tuinkabouters verkocht. Ik vroeg me af waarom iemand een uit de kluiten gewassen tuinkabouter in zijn kofferbak zou wegstoppen maar bij navraag bleken er dorpen in het Oosten van Duitsland te bestaan waar het onder de bewoners traditie was om elk jaar de tuinkabouter de klei-hersens in te slaan omdat dit geluk zou brengen. Misschien was deze traditie ooit wel aangemoedigd door een slimme fabrikant van tuinkabouters.

Maar voordat de massa productie van kabouters doorbrak en sommige tuinliefhebbers deed griezelen, waren ze het domein van vooraanstaande families, die zich een handgemaakte, stijlvolle, klassieke Griebel kabouter konden veroorloven. Maar de liefde van deze elitaire klasse voor de bebaarde mannetjes was voorbij toen goedkope – en vaak inferieure – kabouters de tuintjes van de midden- en lagere klasse gingen bevolken. Er werd vanaf dat moment neergekeken op het tuinkabouter fenomeen. Het was ‘not done’ om je tuin te vervuilen met zo’n kleurrijk, plastic figuur. De term ‘gnomofoob’ ontstond om de soms regelrechte haat uit te drukken die neerdaalde op het kleine volk.

Tegenwoordig echter lijken goeie kwaliteit tuinkabouters – op het Europese vasteland steeds meer aangeduid met de engelse term ‘gnomes’ – weer bezig aan een comeback. Ze zijn zelfs hier en daar weer toegestaan op elitaire tuintentoonstellingen. De ‘gnomofoben’ trekken uiteindelijk toch aan het kortste eind.

Wagner’s Opera ‘die Feeen’

Maar deze kleine bebaarde mannetjes kwamen niet zo maar uit de lucht vallen. Griebel had zijn creatie niet uit zijn vindingrijke duim gezogen. Als je goed zoekt, ontdek je dat ze bijna letterlijk geworteld zijn in de eeuwenoude folklore en sagen van Europa. Het Duitsland van Philip Griebel was net een decennium daarvoor in 1871 als nieuwe natie ontstaan. Er was wel degelijk een zoektocht gaande naar de oorsprong, de wortels van het Duitse volk: wat maakte een Duitser een Duitser? Vanzelfsprekend waren mythologische vertellingen een belangrijke bron. Het was de tijd van Wagner’s opera ‘das Nibelungenlied’ met Alberich de dwerg als een van de hoofdrolspelers en van de voor velen totaal onbekende opera ‘die Feeen’, Wagner’s allereerste complete opera die pas in 1888 in premiere ging.

 

Gnoom versus Dwerg

Naast gnomen zijn er ook dwergen. De twee termen worden vaak door elkaar gehaald. Maar er is wel degelijk een onderscheid tussen de twee verschijningen. Ze zijn beiden vaak niet moeders mooiste maar de gnoom heeft in de regel een meer gemoedelijk uiterlijk, terwijl de dwerg soms ronduit lelijk genoemd kan worden.

De dwerg vindt zijn oorsprong in de oude Noorse sagen, terwijl de gnoom zijn naam lijkt te danken aan de 16e eeuwse dokter en alchemist Paracelsus uit Zwitserland. Paracelsus koppelde natuurwezens aan de vier elementen water, vuur, lucht en aarde die in de alchemie een belangrijke rol speelden: undines (water), salamanders (vuur), sylphen (lucht) en gnomen (aarde). Hij noemde deze wezens elementalen. In volksverhalen doken vanaf de 17e eeuw ook gnoom varianten als brownies en leprechauns op. Ook in het begin van de 20e eeuw bleven elementalen een rol spelen. De Duitse antroposoof Rudolf Steiner bijvoorbeeld nam in zijn esoterische werk de terminologie van Paracelsus over.

Maar ongetwijfeld heeft Paracelsus het aardse gnoom elementaal gebaseerd op het mythologische onderaardse dwerg wezen die voor het eerst verscheen in oude Noorse sagen.

De Edda

Het van oorsprong IJslandse gedicht ‘de Edda’ uit 1222 staat eigenlijk wel aan de basis van het dwerg fenomeen. In de Edda wordt een behoorlijk complex beeld geschetst van de dwerg. Ze zijn soms menselijk gewoon en een andere keer beschikken ze weer over bovennatuurlijke gaven. Er zijn vier dwergen gecreerd door de goden die hen als taak gaven de hemel met hun schouders te ondersteunen: Nordri, Sudri, Austri en Westri. In het verhaal over de wolf Fenrir komen ook dwergen aan te pas die als smeden een onbreekbare ketting moesten smeden om Fenrir in bedwang te houden. En er zijn ook ronduit valse, gemene dwergen als de twee broers Fjalar en Galar die de oude wijze Kvasir vermoordden.

In allerlei opvolgende Noorse sagen is vervolgens een beeld ontstaan van dwergen die zich graag nestelen in het koude donker onderin de bergen. Daar kwamen hun mijn-ontginningskwaliteiten goed van pas waarbij ze vooral een hebzucht ontwikkelden voor goud en edelstenen. Ze kwamen zelden vriendelijk uit de hoek, bang als ze waren dat mensen hun kostbare bezit wilden stelen.

Het is daarom toch wel verrassend dat in de opvolgende Ierse en Bretonse folklore dwergen steeds behulpzamer werden afgeschilderd en letterlijk hun weg omhoog vonden naar tuinen en boerderijen waar ze mensen en boeren bijstonden; en waar ze soms zelfs mensen rijkelijk beloonden die het kleine volk op hun beurt geholpen hadden.

 

Conclusie

Dwergen, en hun ‘off-spring’ gnomen hebben de laatste honderdvijftig een grote populariteit verworven. Of ze echt zouden bestaan of niet, lijkt bijna irrelevant. Toen wij nog het winkelpandje Elf Fantasy Shop in Delft hadden, kwamen af en toe klanten binnen die volhielden dat ze in contact stonden met kabouters en dwergen en deze ook konden zien. Ik heb me vanaf die tijd altijd op het standpunt gesteld dat het mogelijk zou zijn, ook al was ik niet in staat om deze elementalen zelf te ontdekken. Waarom zou ik zo arrogant zijn om deze mensen tegen te spreken, enkel omdat ik niet kon zien wat zij beweerden te zien?

Maar hoe het ook zij, de bebaarde natuurwezens hebben de sympathie verworven van hele bevolkingsgroepen in met name Europa. De ‘gnomofobie’, de tuinkabouter hetze, bleek achteraf maar van tijdelijke aard. Dankzij verfilmingen als ‘the Hobbit’ waarin het dwergenras een belangrijke rol speelde,  hebben dwergen zelfs bijna een cultus status verworven onder fantasy liefhebbers. Gnomen en dwergen zullen ongetwijfeld de komende decennia nog veel van zich laten horen.